
Frysk bloed tsjoch op! wol no ris brûze en siede,
En bûnzje troch ús ieren om!
Flean op! Wy sjonge it bêste lân fan d’ierde,
It Fryske lân fol eare en rom.
Het is dinsdag 12 mei 2026, zeven uur ’s ochtends. Begeleid door een trompet klinkt in de 11-stedenhal in Leeuwarden uit duizend kelen het Friese volkslied. De emoties zijn voelbaar. Het is de start van de Elfstedenwandeltocht. Vijf dagen wandelen langs de Friese Elfsteden: 49, 42,5, 44, 43,5 en 29 kilometer, in totaal 208 kilometer. Met tussenstations in Sloten, Workum, Franeker en Dokkum. En elke dag een gezamenlijke start met het zingen van het Friese volkslied. Waar zijn we aan begonnen?
Last minute
We hadden ons last minute opgegeven voor de tocht. Te laat om serieus te trainen. De tocht zelf zou onze training worden — net zoals we dat doen wanneer we met rugzak en tentje rondtrekken op vakantie. Het leek mij een mooie uitdaging en ik vroeg me af of ik iets zou herkennen van de typische Elfstedentochtsfeer. Irma had ik zo ver gekregen om dit avontuur samen aan te gaan.
De weken voor de tocht zijn hectisch. Irma’s moeder uit Sneek is ziek geworden. Anderhalve week voor de tocht overlijdt ze, 88 jaar oud.
De laatste week voor de Elfstedenwandeltocht is emotioneel zwaar. De uitvaart en alles daaromheen beheersen de dagen. Wandelen zit nog wel in ons hoofd, maar raakt op de achtergrond.
De bootslapers
De avond voor de tocht eten we in de 11-stedenhal samen met de zogenaamde bootslapers. Zo’n 150 in totaal. Ze slapen op zes tjalken die iedere dag naar de volgende stop varen. Alleen degenen die zich op 1 januari stipt om acht uur ’s ochtends hebben opgegeven, zijn zeker van een plekje.
Nu zitten ze hier: de meesten met een enorm bord vol stamppot, worst en een gehaktbal. Alsof ze alvast energie aan het tanken zijn voor de hele week. Aan tafel blijkt al snel dat we hier te maken hebben met de crème de la crème onder de wandelaars.
De oudste aan onze tafel, een gepensioneerde scheikundige, loopt dit jaar al voor de twintigste keer. Met enige heimwee vertelt hij over vroeger, toen alleen bootslapers mochten meedoen. In die tijd sliepen ze nog op stro. Er waren geen stapelbedden en ook geen douches. Als hij wandelt, doet hij dat steevast met een tempo van 6,2 kilometer per uur, of het nu in de heuvels van Limburg is of op het Friese platteland.
Dit zijn de echte wandelaars: een cultuur die wij nog niet kennen, maar waarmee we snel kennis zullen maken. De gemiddelde leeftijd is zo’n 55 jaar. Daar sluiten we in elk geval moeiteloos bij aan.
Verhalen onderweg
Elke dag zijn er ontmoetingen en verhalen. Zoals die van Nico en Emmy, die samen de tocht lopen. Emmy kampt voortdurend met blaren en is dan ook bijna dagelijks bij de EHBO te vinden. Nico had in 1985 graag de Elfstedentocht geschaatst, maar zijn vader stond het niet toe. Die had de beelden van de ontberingen tijdens de tocht van 1963 nog scherp op het netvlies. Nico baalt daar nog altijd van.
Of de Belgische dame met haar rode krullen. Ze was nieuwsgierig naar de tocht en loopt nu, na maanden van trainen, mee. Net als ik behoort ze tot de weinigen die deze koude en natte week in korte broek wandelen.
Een tijdje lopen we op met een gepensioneerde militair die tegenwoordig werkt als vogelkeurmeester. Hij heeft twee kunstheupen en een kunstknie. Een van die heupen schoot enkele jaren geleden zelfs uit de kom. De chirurg gaf hem vijfentwintig jaar garantie op zijn titanium knie. En dus loopt hij hier in het volste vertrouwen dat hij het zal volbrengen.
Veel wandelaars blijken ook deelnemers aan de Nijmeegse Vierdaagse. Sommigen hebben een Kennedymars op hun naam staan: tachtig kilometer wandelen binnen twintig uur. En een enkeling volbracht zelfs de Dodentocht in België: honderd kilometer binnen vierentwintig uur.
Al lopend ontdekken we dat achter vrijwel iedere wandelaar een eigen verhaal schuilgaat. Misschien zijn het juist die verhalen die de tocht zo bijzonder maken. Bij wandelen gaat dat bijna vanzelf. Urenlang loop je naast mensen die je anders nooit zou hebben ontmoet.
Afzien
Te midden van al die ontmoetingen is het ook gewoon afzien. Op de eerste dag, drie kilometer voor de finish in Sloten, zie ik ineens de landerijen om me heen bewegen. Dit gaat niet goed. Irma ziet het ook. Een flesje cola brengt redding. Na een kilometer trekt het gelukkig weer bij.
Op de tweede dag krijgen we boven op de IJsselmeerdijk bij het Mirnser Klif te maken met harde tegenwind en felle buien. We lopen in groepjes om elkaar uit de wind te houden. DHL-busjes scheren soms rakelings langs ons heen. Alsof ook zij haast hebben om hun eigen finish te halen.
Naarmate de tocht vordert, krijgen steeds meer mensen last van blaren en andere pijntjes. De rijen bij de EHBO-posten worden met de dag langer. Ook ik heb pijn. Na dertig kilometer blijken mijn net bij Bever gekochte wandelschoenen toch een half maatje te klein. Maar ik besluit dat ik het zonder EHBO kan redden.
De laatste tien kilometer van elke dag zijn het zwaarst – en dat geldt niet alleen voor ons. Alle overbodige gedachten vallen dan weg. Er blijft nog maar één ding over: de volgende stap zetten. Na iedere finish strompelen we naar de bagagewagen om onze rugzakken op te halen.
Steeds opnieuw vragen we ons af hoe we de volgende dag weer verder moeten. Maar de volgende ochtend staat bijna iedereen weer aan de start. Kennelijk kan een mens meer dragen dan hij zelf denkt.
Kamperen
Alsof de tocht zelf nog niet zwaar genoeg is, lopen we na iedere finish met onze rugzakken naar een camping om ons tentje op te zetten.
Het leek een prima plan toen we het bedachten. Nederland had al wekenlang droog en zonnig weer en niets wees erop dat daar ooit verandering in zou komen.
Door onze late inschrijving waren de meeste B&B’s en hotels al volgeboekt. Kamperen leek ons een goed alternatief. In Sloten en Workum ligt de camping op ongeveer een kilometer van de finish. Dat is nog te overzien. In Franeker en Dokkum is dat bijna drie kilometer. Gelukkig zijn de campingeigenaren daar zo behulpzaam dat ze ons willen halen en brengen. Vooral de eigenaar van minicamping Aldsyl zullen we niet snel vergeten.
De verbazing van onze medewandelaars is zichtbaar wanneer we ’s ochtends onze rugzakken in de bagagewagen leggen en die er na de finish, moe en stram, weer uit halen. Voor de meeste wandelaars zit de dag erop bij de finish. Voor ons begint dan nog een klein extra hoofdstuk.
De wielen van ontmoetingen
Op de derde dag komen we door Harlingen. De stempelpost is daar op een schoolplein. Na een korte pauze blijkt dat we dwars door de school moeten lopen voor de laatste dertien kilometer naar Franeker. In een van de gangen staat op een zwart schoolbord de tekst:
De benen zijn de wielen van de creativiteit — A. Einstein.
Misschien heeft Einstein gelijk. Al wandelend ontstaan niet alleen gedachten, maar ook ontmoetingen. Maar op dit moment zijn onze benen vooral moe en pijnlijk en willen ze zo snel mogelijk naar de finish.
Vlak buiten Harlingen zien we Chanan, onze oudste zoon, met drie kleinkinderen. Ze lopen een kilometer met ons mee. Voor even verdwijnen de pijn en vermoeidheid naar de achtergrond.
Vlak voor Franeker
Vlak voor Franeker halen we een man in die nauwelijks nog vooruitkomt. Hij loopt volledig krom, met zijn bovenlichaam bijna haaks op zijn benen. Het is hem in de rug geschoten. We hoeven ons geen zorgen te maken, verzekert hij ons. Hij heeft net een handvol pijnstillers ingenomen. Hopelijk is dat genoeg om de finish te halen.
Het laatste stuk lopen we op met een brevetloper. Voor hem staat er meer op het spel dan alleen deze wandeltocht. Hij wil het Elfstedenbrevet bemachtigen, een zeldzame onderscheiding voor sporters die de Elfstedentocht hebben geschaatst, gefietst én gewandeld. Tot onze verbazing blijkt hij ook nog tot de beste Nederlandse schaatsers in zijn leeftijdscategorie te behoren.
Slapen in de kroeg
De volgende dag is de laatste lange etappe: 43,5 kilometer van Franeker naar Dokkum. Bij het zingen van het Friese volkslied zien we de kromme man van gisteren weer staan. Met een rechte rug. Gelukkig maar.
Het is een zware dag. Een fijne bijkomstigheid is dat familieleden onderweg voor wat afleiding zorgen. Ze moedigen aan en wandelen soms een stukje mee. Het traject van Bartlehiem naar Dokkum langs de Dokkumer Ee lijkt eindeloos. Steeds vaker lopen we op de automatische piloot. Drie kilometer voor de finish passeren we minicamping Aldsyl, waar we die nacht zullen slapen. Was het maar zo ver.
Hoe kapot we ook zijn, de finish midden in Dokkum voelt alsof de buit al binnen is. Morgen nog maar 29 kilometer naar Leeuwarden. Dat moet lukken.
Meteen na de finish drinken we iets met familie in een restaurant bij de finish. Daarna schuiven we om vijf uur alweer aan bij het diner van de bootslapers. De verhalen komen weer los.
Om zes uur worden we opgehaald door Leo, de campingeigenaar, in een oude Volvo stationwagen. Onze grote rugzakken verdwijnen moeiteloos achterin de klep. De stoelen zitten heerlijk. Hij vertelt dat hij komende zondagnacht om twee uur met een groep naar Ameland gaat wadlopen. De verwachting is dat het bitter koud wordt. Hij verbaast zich erover dat het doorgaat.
Bij aankomst bij de boerderij regent het weer. We zijn koud en zien op tegen het opzetten van onze natte tent. Kennelijk kan Leo onze gedachten lezen. Hij geeft aan misschien nog een alternatief plekje te hebben.
We volgen hem naar de boerderij. Daar opent hij een deur en wijst naar binnen. Het blijkt de kroeg te zijn die die avond leeg blijft. We mogen er op de vloer slapen. Hij zet een gaskacheltje aan en geeft ons een sleutel waarmee we via een privé-ingang naar de douches kunnen. In de douchecabines hangen levensgrote posters van de Elfstedentocht van 1963. Ontberingen zijn relatief.
Die nacht slapen we voor het eerst in ons leven in een kroeg. De koelkast, gevuld met bier en sterke drank, laten we onaangeroerd. Recht boven mijn hoofd hangt een groot geweer aan het plafond. Ik ben te moe om me druk te maken over wat er gebeurt als het naar beneden valt.
Naar de finish
Zaterdagochtend stipt om half zeven staat Leo klaar klaar om ons met zijn Volvo naar de start in Dokkum te brengen. Vlak voor aankomst begint het hard te hagelen. We nemen afscheid en wensen hem veel succes met zijn wadlooptocht die komende nacht.
Na een korte toespraak van de burgemeester en het zingen van het Friese volkslied vertrekken we voor de laatste 29 kilometer. Niet iedereen loopt er nog even soepel bij en we vragen ons af of iedereen op tijd de finish in Leeuwarden zal halen.
Onderweg komen de verhalen weer los en ontmoeten we familie. Mijn negentigjarige vader is samen met zijn iets jongere vriendin Tiny naar Gytsjerk gereden om ons aan te moedigen. Tiny stopt ons een grote, ambachtelijk gerookte droge worst toe. Daarna gaan we weer verder. Nog maar tien kilometer.
Vlak na Gytsjerk staat onze schoondochter met de kleinkinderen op ons te wachten bij de Elfsteden Tegeltjesbrug. Gesterkt door alle aanmoedigingen – en door de stille getuigenis van de duizenden namen op de tegeltjes van mensen die de echte Elfstedentocht volbrachten – lopen we het laatste stuk naar Leeuwarden.
Ruim op tijd bereiken we de finish in Leeuwarden, vlakbij de Prinsentuin.
Na vijf dagen en 208 kilometer zit het erop.
We hebben het gehaald.
De volgende morgen
De volgende ochtend lees ik een bericht op NOS Teletekst: Wadlopers in de problemen bij Ameland. Tientallen wadlopers zijn ’s ochtends vroeg van het wad gehaald nadat ze onderkoeld waren geraakt. Met reddingsboten en een helikopter zijn ze naar Ameland gebracht.
Leo heeft er weer een verhaal bij. Wat zou zijn verhaal zijn? En hoe is het afgelopen met al die mensen met wie we de afgelopen vijf dagen hebben opgelopen? Met de kromme man, de brevetloper, Nico en Emmy en al die anderen?
Vijf dagen lang liepen onze wegen samen. Daarna ging iedereen weer zijn eigen kant op. Juist in het wandeltempo is er tijd om naast elkaar te lopen, verhalen te delen en een stukje van elkaars leven mee te dragen.
De Elfstedentocht verbindt mensen, al is het soms maar voor even.